Orgelreis 2016


Verslag van de orgelreis van de Stichting Groningen Orgelland, 19-24 september 2016.

Het werd in afstand de langste orgelreis in het bestaan van de SGO, waarbij instrumenten werden bezocht uit de Noord- Midden- en Zuid-Duitse school. Bij de laatste categorie, hoofddoel van deze reis, zat echter ook een flinke Franse scheut. Deze (laat)barokke instrumenten in navenant exorbitant grote en rijk geornamenteerde kerken, maakten op iedereen diepe indruk. De meeste van de 45 reisgenoten waren nog nooit in dit orgellandschap geweest. En we zijn nog nooit zo vaak achter elkaar zoveel klooster- of abdijkerken in gegaan …
De reis stond onder artistieke leiding van Sietze de Vries (in dezen opvolger van Bernhardt Edskes), hierbij geassisteerd door Sander Booij en Pim Schipper; beide organisten zijn werkzaam in de orgelbouw. Namens het bestuur waren Bob van der Ploeg, Ard Lukassen en Bert Veening mee. Lukassen en Hilda Rodenboog hebben de reis georganiseerd; zij waren tevens de reisleiders.
We reden met Arriva Touring, de chauffeur was Pieter Boer.

Dirk Molenaar   

In de achttiende eeuw kwam in Zuid-Duitsland op (klooster)kerkgebied een grote bouwdrift op gang die mede het gevolg was van de zogeheten contra-reformatie. Bestaande kloosters die zich grote rijkdommen hadden verworven door exploitatie van hun grote landbezit werden drastisch vernieuwd. En als er één abt over de barokke dam is … Het nieuwe kerkinterieur, waar alles ‘beweegt’ en waar hemelse creaturen vliegen, moest een voorportaal zijn van het Paradijs. Je kon als nietige mens al heel ver de hemel in zien, als je maar goed omhoog keek (de schilderingen ‘in’). Door de komst van de kleine man-met-de-dwarse-steek uit Frankrijk was het in 1803 gedaan met het instituut klooster. Gelukkig bleven de gebouwen en werden ze ondermeer overgenomen door vorstenhuizen. Tot op de dag van vandaag zijn diverse kloosters (weer) kerkelijk bezit. In Neresheim bijvoorbeeld zijn er sinds 1919 weer Benediktijner monniken; momenteel nog tien.

Deze orgelreis zou voor mij heel bijzonder worden, want er waren drie instrumenten bij waarvan ik op achtjarige leeftijd voor het eerst een foto zag. De orgels van Weingarten, Ottobeuren en Neresheim stonden zwart/wit afgebeeld in het boekje Orgeln (1954). Nadat ik mijn vader had gevraagd wat zerstört betekende, wist ik dat deze voor mij zeer ongewone instrumenten er dus nog waren. Weingarten zag er ‘lief’ uit, maar het orgel van Neresheim vond ik volkomen terecht op de allerlaatste pagina staan: wie bouwt er nu zó’n orgel, met vier van die lange opbergkasten waar een paar gelijke pijpen je zo streng aankijken. Hadden ze daar niets beters kunnen bedenken!? 
Maar nu weet ik beter …

Maandag
Van Haren naar het eerste te bezoeken orgel in Melle was het 207 km. In het dagprogramma stond steeds het aantal kilometers vermeld, ongetwijfeld de inbreng van de huidige SGO-secretaris Lukassen. Iets van de hand van de vorige secretaris – Kees Kugel – was een keurig verzorgd begeleidend boekje.
Bij het Vater-orgel (1724), in 2000 na restauratie en uitbreiding door Bernhardt  H. Edskes Orgelbau in gebruik genomen, was de SGO tweemaal eerder geweest. Hier maakten we voor het eerst de muzikale aanpak mee van De Vries en zijn assistenten en dat was – en bleef – voortreffelijk. Een instructief verhaal van De Vries beneden, met boven de beide jonge organisten die in pakkende korte improvisaties de op het menu staande stemmen lieten proeven. Daarna kwam De Vries naar boven om met een groot afsluitend dessert – hier zelfs met een ‘spetterende’ cimbelster – ons aangenaam muzikaal te doen verzadigen. Met het bezoek aan Marienmünster kwamen we in Westfaals gebied. De vormgeving van de orgels hier kennen we van de uit deze streken afkomstige orgelmakers, van wie er in Zutphen en Aalten eveneens instrumenten staan. Voordat we de kerk ingingen, verdrongen velen zich plotsklaps bij de deur van een door iemand ontdekt kloosterbijgebouw. Gelijksoortige situaties kwamen we tijdens de reis meer tegen. Plat gezegd: eerst plee, dan plenum! 

Het Möller-orgel (1738) in de Abteikirche te Marienmünster. Het instrument (HW 14-, RW 12-, Borstw. 8-, Ped 10 reg.) werd na zorgvuldige restauratie door Manufacture d’Orgues Mühleisen opnieuw in gebruik genomen in november 2012. 


Het door Johann Patroclus Möller in 1738 opgeleverde instrument maakte grote indruk. Het front heeft een zeer hoog loodgehalte, waardoor het de metaalvordering van de Eerste Wereldoorlog ontkwam. Bij de introductie door de Nederlandssprekende plaatselijke organist bleven de lampen en spots naar het orgel gelukkig uit, zodat je je voor de orgelbeleving terug in de tijd kon wanen. Door ‘busmoeder’ Hilda Rodenboog  was nadrukkelijk gezegd dat steeds alleen de drie organisten en ‘huisfotograaf’ Paul Biester de orgelgalerij op mochten. Daar hield men zich bij dit tweede orgel al niet meer aan. Hilda werd gelukkig niet boos of verdrietig ...
Daarna naar Fulda voor de eerste overnachting. ’s Avonds maakte ons vaste ‘achter-in-de-busgroepje’ met een paar middenzitters een wandeling. Persoonlijk ben ik fel tegen aangelichte monumentale gebouwen – overdag zet je ze ook niet in het dónker – maar het was tóch aangenaam dat de Dom van Fulda en naastgelegen nóg oudere gebouwen in het kunstlicht stonden.

Dinsdag
Vanuit het hotel kregen we een lunchpakket mee. Bedoeld voor een bodem in de maag viel bij sommigen op straat al de bodem uit het pakket. 
Het landschap in de ochtendmist begon al aardige bergen en dalen te vertonen. Naar Maihingen was het een flinke etappe, maar toen waren we ook in het Zuid-Duitse gebied en stapten we de eerste kloosterkerk binnen: overweldigend en wat een overdadige ruimte, ‘doorlopend’ in versneld perspectief geschilderde koepelgewelven! In de beleving van zo’n rijk interieur met metershoge altaren en groot koorgestoelte is het object van het doel van deze reis eerst even niet belangrijk. De plaatselijke functionaris deed opeens de spots aan en brak – goedbedoeld, maar storend – in bij het verhaal en later bij het orgelspel. Booij werd er zelfs wat hulpeloos van. We hoorden desondanks van het Johann Martin Baumeister-orgel (1737) genoeg mooie details, met ondermeer een ritselende Gamba 8 fs. 

Het Baumeister-orgel (1737) in de Klosterkirche te Maihingen. De Prinzipal Bas 16 fs in het front is van hout; de pijpen zijn vierkant, met aan de voorzijde een ovale opdik en een ovale spitse voet. Merkwaardig dat ten opzichte van de overdadige opsmuk van het hele kerkinterieur deze pijpen niet opnieuw van tinfolie zijn voorzien, als weleer.          

Daarna gingen we naar Neresheim, de imposante Benediktiner Abtei, waar van 1794-1797 Johann Nepomuk Holzhey dat ‘strenge’ orgel maakte. Maar het instrument keek mij vriendelijk aan en het leek of het de armen naar de groep spreidde. 

Het Holzhey-orgel (1797) in de Benediktiner Abteikirche te Neresheim. Het instrument telt 49 stemmen, waaronder een Bordon 32 fs (vanaf g) op het Hauptwerk. De manuaalomvang is C-f³. De omvang van het Pedal (C-a), werd bij de omvangrijke restauratie in de jaren zeventig door de firma Kuhn, uitgebreid tot f¹. Hiervoor werden op de pedaalladen oorspronkelijke blinde cancellen gebruikt. Het Hauptwerk staat in de twee middelste torens, het Oberwerk in het middenveld (boven de vrijstaande speeltafel), het Echowerk in de onderkasten van het Hoofdwerk, het Pedal in de buitenste torens.


En ook hier wordt de bezoeker overweldigd door de enorme witte heldere ruimte met die grootse koepelgewelfschilderingen. En bij deze ‘late’ barokkerk overal de typisch neo-classicistische guirlandes. Het moment dat we de eerste tonen van de Prinzipal 16 fs hoorden, was voor mij ontroerend. Later hoorden we ook nog even het koororgel, elektrisch aangestuurd vanuit het hoofdorgel, via listig weggewerkte registerknopjes op het iets verhoogde ‘blad’ van de speeltafel. Volgens mij was het bezoek aan deze kerk een van de hoogtepunten van de reis. Na deze ruimtelijke belevenis, waar een orgel min of meer in de architectuur van de kerk opgaat, kwamen we amper drie kwartier later bij wéér een indrukwekkende kloosterkerk: Mönchsdeggingen, waar ook hier de pracht en praal niet op kon. Zelfs bij elke pilaar van het schip staat een groot altaar. In deze week begon ik bijna een tic op te lopen door steeds maar te tikken op de diverse interieurstukken: écht marmer of marmerimitatie? Het orgel (18de eeuw?), maker onbekend, staat hoog en ver weg, met een Gamba 8 fs in het front; een fraai instrument, maar niet overweldigend. 

De kloosterkerk van Mönchsdeggingen. Bij elke pilaar van het schip staat een imposant altaar. In het koor van deze kerk bevindt zich tevens een bijzonder ’platvloers’ orgel uit 1693.

Wat meer tongen losmaakte, was het Paulus Prescher-kistorgel (1693) in het koor, een instrument deels verzonken in de vloer, met pijpwerk dat bijna horizontaal ligt.
Na 150 km kwamen wij aan in Ottobeuren. Op weg naar het hotel op een heuvel reden we langs de imposante Basilika die we de volgende middag zouden bezoeken. In de bus werd ons reeds de minder plezierige mededeling gedaan dat voor de beide beroemde Riepp-instrumenten ons slechts een half uur tijd was gegeven De nieuwe abt heeft namelijk niet zoveel op met orgeltoeristen.
Ons hotel was een viersterrenhotel, met een buitenzwembad, maar daar zou ons gezelschap amper gebruik van maken.

Woensdag  
Van mij mocht van die vierde ster wel een klein puntje af, want geen hàrdgekookt ei. Na het ontbijt gingen we eerst naar het Holzhey-orgel (1793) in de kloosterkerk van Rot an der Rot. Er moest een poos worden gewacht, want er was niemand met de orgelsleutels. ”Wir haben den Termin vergessen”, was de verontschuldiging. De Vries was daarom alvast begonnen op het koororgel (1786), eveneens van Holzhey. Naast andere grote interieurstukken in deze kloosterkerk was hier een indrukwekkend hoofdaltaar met kunstige imitatiedraperieën. Écht waren evenwel twee zwaluwen die daar linksboven fladderden en misschien wel luisterden naar een bevlogen organist. Vanwege deze ongewone binnenkerkse activiteit improviseerde De Vries over Ps 84: “De mus, de zwaluw vindt een woning.”  Goed dat hij dat later meedeelde, want anders ontgaat zoiets de meeste reisgenoten. Dit gebeurde gedurende de reis ook wel bij meer gekozen thema’s. Tijdens dat wachten op de demonstratie van het hoofdorgel, viel het mij op hoe geraffineerd diverse wanddecoraties zijn gemaakt, met uiterst slim geschilderde schaduwkanten, alsof het driedimensionaal is. Ook al liep je strak omhoog kijkend viermaal heen en weer, dan wist je het nóg niet zeker. Maar knalde wel ergens hard tegenaan, of miste een afstapje … 
Na elf kilometer weer een zeer fraaie kloosterkerk, een hele lange zelfs: Ochsenhausen. De andere gebouwen van het kloostercomplex bieden onderdak aan de Landesakademie für musizierende Jugend en het plaatselijke gymnasium. De kerk en het hoogverheven Gabler-orgel (1734), met een ver naar voren gesitueerd rugpositief, waren aan kleur en ornamentiek een lust voor het oog. De Vries ging uitgebreid in op de persoon Gabler, die als schrijnwerker werd opgeleid in het klooster van Ochsenhausen (waar wij nu dus waren). Zijn eerste gróte opdracht was het instrument waar wij naar opkeken. Het orgel is om een raam heen gebouwd, maar dat zie je van beneden bijna niet. 

Het Gabler-orgel (1734) in de Klosterkirche te Ochsenhausen. Het instrument (vier manualen en pedaal, 46 stemmen) was Gablers eerste grote opdracht en tevens het eerste vierklaviers orgel in Zuid-Duitsland. Het Farbwerk telt één 16-vts.- , acht 8-vts.-  en drie 3-vts. registers. Vooral die acht 8-voets stemmen op dit klavier met toepasselijke naam, loopt voor op de negentiende-eeuwse Duitse orgelbouw.

Volgens De Vries was Gabler in de eerste plaats schrijnwerker en daarna pas orgelmaker. En hij was een wat dromerige man die voor het allermooiste en meest perfecte resultaat ging; er gaan diverse verhalen rond. We kregen veel moois aan klank te horen. Als de Kuckucksruf wordt getrokken, komt er uit de bekroning van het rugpositief een gehoornd ossenkopje naar voren. Na een fraaie demonstratie van de afzonderlijke stemmen door het duo Booij en Schipper ging De Vries naar boven, maar hij wist eerst niet hoe je daar moest komen, wat ook al in een eerder geval gebeurde. Tien minuten later probeerden anderen en ook ik de route te vinden naar Gablers’ instrument: deurtje naast een altaar in het midden van de kerk, halletje door, rechtsaf gangetje in, trap op, lange brede gang door, wenteltrap op, raar houten tussengangetje, struikel-struikeltrapje naar links, méterslange kale zolder met lage balken, buk-buk-au-buk, twee verschillende struikeltrapjes, donker, kleine deur en dan … een pràchtige ruime orgelgalerij met schitterend gemarmerde orgelkast en op een podium een vrijstaande speeltafel met muzieklessenaars daarvóór, alsof het een bordes is! Allemaal witte kleine en grote engelen en putti in dynamisch gewaagde poses omranken de hoofdkast, prachtig, adembenemend. En dat rugwerk is helemaal geen rugwerk, want de organist kijkt er helemaal overheen de lange kerk in! Bij die ossenkop hoort,  jazeker, ook een kont (sit venia verbo). En die ossendelen zijn verbonden door een balkje, zo lang als het Brüstungspositiv diep is; de staart ontbreekt. Booij & Schipper waren zeer op dreef, ook vierhandig, met grote kans een por in de rug te krijgen van al die fotograferende reisgenoten die om de speeltafel heen darden. Het leek wel een casino! Elk moment verwachtte ik dan ook van de leiding Rien ne va plus

De speeltafel van het Gabler-orgel van Ochsenhausen (HW 9-, Br.P 10-, FW 12-, EP 9-, Ped 6 reg.).
Foto: © Orgelbau Kuhn AG, CH Männerdorf 


De technisch geïnteresseerden kregen het geluk het binnenwerk van het Brüstungspositiv te zien, waar zelfs even een pijp van de op een draaibank gemaakte Flaut Do: 4 fs door onze handen mocht gaan. Toen we weer beneden waren, kwam uit een kloostergang een flinke tochtstroom de kerk in die naar eten rook; waarschijnlijk werd in de schoolkantine Ochsenschwanzsuppe  geserveerd … 
We gingen terug naar Ottobeuren, nu voor slechts een half uur Riepp-klanken uit twee grote orgels, ingebouwd in het koorgestoelte links en rechts. Er werd achter in de bus alvast wat gemopperd over die abt. Toevallig was ik erbij toen de sleutels werden overhandigd door een sjaal-hakende loketdame naast de Klosterladen. Het ging niet hartelijk en dus “Nur eine halbe Stunde, und nur die Dreifaltigkeitsorgel. Allein die Organisten dürfen nach oben!”. Met dat laatste hebben sommige van ons haar even mooi voor het gehaakte lapje gehouden, want we zijn na afloop wél snel naar boven gevlogen en kregen van De Vries nog gauw wat fraaie orgel-inkijk mee. 
De Basilika van de Benediktinerabtei te Ottobeuren, gebouwd van 1737-1766, met een vormgeving geënt op de basiliek van Weingarten.
De onderzone is volkomen vlak, maar door een geschilderde voeg-imitatie, compleet met ‘schaduw,’ wordt een illusionistische voorstelling gegeven van  natuursteenblokken. Deze techniek vindt zijn oorsprong in de Italiaanse renaissance.  

De kerk was gigantisch en ook hier weer een en al pracht, met naast het hoofdaltaar in de rond afgesloten transepten enorme zijaltaren. En er figureerde weer een aantal hemelse creaturen, stralend wit. Opeens wist ik het verschil met de uitbeelding van al die engelen en putti op ons Nederlandse kerkelijke terrein: bij ons stààn, of zitten ze bijna altijd – al dan niet gevaarlijk – op een rand, of ergens naast. En meestal hebben ze dan iets in de hand om te (gaan) spelen. Maar hier in deze rijke contra-reformatorische Katholieke dreven zijn ze ‘gevangen’ in een beweging, als een still uit een film. 
De Vries had een fraaie improvisatie over Vater unser im Himmelreich. Het orgel klinkt logischerwijs in zo’n opstelling als hier, iets indirect. 

Het Heilige Geist-orgel (1766) in het koor van de Basilika te Ottobeuren (HW 12-, Pos 9-, Ped 6 reg.) dat tegenover het viermanualige Dreifaltigkeits-orgel staat. Aanvankelijk zou Riepp in het koor één instrument maken met twee fronten, met vrijstaande speeltafel. 


Kijk in de Basilika maar niet naar het noorden, want daar staat het Hauptorgel (1953) met aftands aandoend tandenborstelfront, met twee werken opzij ervan in de schipmuren. ’s Avonds hebben Lukassen en ik de frustraties van slechts een half uurtje Riepp van ons af gezwommen en het plan opgevat om de volgende ochtend naar de vroegmis van 6.30 uur, de Konventmesse, te gaan.

Donderdag
In het donker liepen we met een medereisgenoot om kwart over zes de heuvel af naar de Basilika naar voor mij de eerste (vroeg)mis in mijn leven, spannend! Gelukkig dat Lukassen een echte katholiek is, zodat hij mij kon behoeden voor een eventuele mis-stap. Na alle gerichtheid naar vooral de orgels en de kerkarchitectuur, voelde ik ook de behoefte het door de mens naar Ottobeuren gesleepte aardse materiaal, nijver en kunstig omgevormd tot Hemels voorportaal, als christen te beleven. Toen we de spaarzaam verlichte basiliek binnenkwamen, hadden alle beelden reeds weer hun vaste plaats opgezocht en ook de engelen en putti hadden hun iele poses weer ingenomen. Er waren in totaal vijftien kerkgangers. Toen de geestelijken binnenkwamen, liepen er twee misdienaars mee die ongeveer dezelfde leeftijd hadden als ik toen ik dat boekje Orgeln kreeg, wat mij even ontroerde. Vijf minuten na het begin fluisterde mijn katholieke buurman : “Dit wordt een stille mis helaas!”  Bij het gebed later viel ook de naam van de abt: Johannes. Vlak voor de communie-uitreiking werd mij door mijn buurman even voorgedaan hoe ik mijn handen hierbij moest houden. Enigszins gespannen schreed ik achter twee oudere vrouwen aan naar voren. Opeens gingen ze half door de knieën en staken hun tong naar de priester uit. Ik schrok: moet ik dat nu ook doen, nee toch!? De priester zag mijn kortstondige ontreddering, maar gelukkig ook mijn correcte handhouding. Uit verbouwereerdheid en wat verstoord door het missen van het sacrale moment stak ik de hostie pas in de mond toen ik weer terug in de bank zat. 
Na het ochtendontbijt gingen we naar het meest zuidelijke gebied van onze reis. Onderweg toonden de bergen en dalen zich gaandeweg hoger en lager, maar het werd ook flink mistig. Bij Füssen passeerden we via een 1300 meter lange tunnel de grens met Oostenrijk; daaruit gekomen was het opeens stralend weer en reden we in een overweldigend berglandschap met rotsige en kale bergtoppen! We waren in beroemd wintersportgebied. Amper in Oostenrijk aangekomen, gingen we de grens weer over naar Duitsland om naar Mittenwald te gaan. Hier ging het deze reis opnieuw over de vorige excursieleider, want in een schitterend ‘cliché-achtig’ mooie plaats in een juweel van een kerk maakte Bernhardt Edskes  in 1999 een fraai orgel in een historische kast (18de eeuw), waarbij hij moest woekeren met de beschikbare ruimte. Met het enthousiaste verhaal van De Vries erbij in bus en kerk was het een kleine belevenis op zich. Helaas stak het grootste deel van het gezelschap de vinger op bij zijn voorstel tot het houden van de vrije lunch in Mittenwald en niet in Innsbruck. In dezen zou het dus worden Innsbruck ich musz dich lassen … 
Vanuit Mittenwald kwamen we opnieuw in Oostenrijk, op weg naar Innsbruck. Een paar kilometer voor de stad stroomde de Inn ons reeds vrolijk tegemoet. In een bijgebouw van de Hofkirche moesten we meer dan een half uur wachten totdat de plaatselijke organist aanwezig was. Hij leidde ons eerst naar de Silberne Kapelle van de Hofkirche, een gang en trappenhuis verwijderd van de kerk, waar een zeer fraai Italiaans orgel (ca.1550) staat. Op de twee kleinste stemmen na, is alle pijpwerk van hout. Heel apart om zo’n instrument in zo’n sfeervolle ruimte mee te maken. Een kleine sensatie was het Ebert-orgel (1561) in het (afgescheiden) koor van de kerk – het kerkschip wordt grotendeels ingenomen door 28 grote beelden en een dito grafmonument voor keizer Maximilian I, die er echter niet is begraven. Ons werd verteld door organist Reinhard Jaud dat dit orgel een “unikat” is, omdat het het oudst bewaarde instrument is met een rugwerk. In 1884 bijna afgebroken, werd het orgel in de jaren zestig en zeventig gerestaureerd (en vijf stemmen gereconstrueerd) door de firma Ahrend. Het is een zeer fraai instrument, het plenum mag er zijn, de Trompet is wel zeer luid. Bij het verlaten van de stad tussen hoge bergen liep de Inn nog een paar kilometer gezellig met ons mee.

Het Ebert-orgel (1561) aan de zuidkant van het koor van de Hofkirche te Innsbruck. Het instrument (HW 8-, RW 5-, Borstw. 1 reg.) heeft een klavieromvang van CDEF-g²a². Het Borstwerk, met alleen een Regal 8 fs, heeft geen eigen klavier, maar wordt gekoppeld met de knop Anzug. 

Vrijdag
Dit zou de dag van Weingarten worden! Maar eerst naar het Holzhey-instrument (1785) van Weissenau. Eerder deze week had De Vries gezegd dat de orgels van Riepp ‘Frans’ zijn, met Zuid-Duitse invloed, terwijl het bij Holzhey precies andersom is, vanwege diens verblijf bij Riepp. Ook in Weissenau was dit te horen. Het front heeft dezelfde opbouw als in Rot an der Rot, maar ziet er wat vriendelijker uit zonder de strengere lijnen van het neo-classicisme van het dertien jaar latere Rot an der Rot. In het vieringgewelf ontdekte ik een schildering waar wél een klein deel driedimensionaal is: een stel (heilige) benen steken eruit! 

Schildering in het vieringgewelf van de Klosterkirche te Weissenau, waar ‘echte’ benen uitsteken.


Na tien kilometer: Weingarten! Flink traplopen, want de kloosterkerk staat hoog en verheven, met twee westtorens, waartussen zes grote ramen die Gabler de nodige hoofdbrekers hebben gekost. 

De westgevel van de Klosterkirche van Weingarten. 
Het klooster was met zijn 306 km² land een van de rijkste kloosters in Zuid-Duitsland. Om de zes ramen van deze westfaçade is het Gabler-orgel gebouwd.

Er was door de leiding twee uur voor het orgelwereldwonder uitgetrokken. De eerste stap over de kerkdrempel voelde voor mij als een small step, but a giant leap. Ik keerde mij pas om toen ik niet verder de enorme ruimte in kon: daar stond hij dan, dat om de ramen heen gestrengelde wereldberoemde instrument, met zes witte plekken er in en alle verhalen eromheen, indrukwekkend! Dat daglicht vond ik wat brutaal, het orgel leek er van een afstand wat flets door. Wat mij enigszins stoorde in deze gewijde ruimte was een man die Nordic walking door de kerk ging; alternatieve bedevaartganger zeker … Naast een verhaal van onze eigen smaakmaker, zou de plaatselijke organist eerst iets vertellen en daarna een kort programma spelen. Het eerste deed hij met verve, al kwam het ons hier en daar wat apart over. Na bijna een half uur moest Hilda Rodenboog ingrijpen in zijn exposé dat hij echter al leek af te ronden. Maar misschien ook niet ... Deze interruptie viel völlig falsch, de sfeer was verstoord en zijn verdere programma was minder begeistert. Booij en Schipper kregen boven aanvankelijk weinig medewerking, wat later maar ten dele goed kwam. De beleving van de ontmoeting met het orgel heeft er – bij mij althans – wel wat onder geleden, maar ik heb toch redelijk goed de klank kunnen ervaren. En inderdaad, de totaalklank is niet overweldigend, het klinkt wat van ver. De organist had er in zijn verhaal een verklaring voor: de entourage van de kerk is een blik ver weg naar “was wir im Himmel erleben können”, dus dat ‘ver weg’ geldt ook voor het orgel. 

Het wereldberoemde Gabler-orgel (1737-1750) van Weingarten, dat met veel strubbelingen tot stand is gekomen. (En fotografisch laat het zich moeilijk vangen.)
Het Hauptwerk (in twee torens) heeft 11 reg.; het Oberwerk (bovenin de torens) 12 reg., de drie kleinste stemmen ervan staan in het Kronpositiv helemaal bovenin en krijgen hun wind via conducten uit het Kroonpositief; het Echowerk (in de voet van de torens) 12 reg.; het Brustpositiv (links in de balustrade) 12 reg.; het Brustpedal (rechts in de balustrade) 9 reg.; het Hauptpedal (achter de torens, met Contrabasz 32+ 16 fs gecombineerd in het front) 8 reg. De omvang van het Pedaal was oorspronkelijke C-g. Dan zijn er nog – na de negen koppels –  La force, op toets C van het Pedaal een 49 sterke Mixtuurreeks achter het frontveld tussen de hoofdwerktorens, Tympan, paukenregister: vier houten pijpen, toon G, die onderling sterk zweven, Carillon (f-c³), metalen schalen in de vrijstaande speeltafel, bespeelbaar vanaf het vierde klavier, Carillon ped (C-g), hangende metalen schalen als drie druiventrossen boven de speeltafel, Rossignol (Nachtegaal), Cuculus (Koekoek), vier ventielen, bediend door een klein looprad en nokken, waarboven de pijpen d¹-h en a-fis steeds na elkaar klinken, Cymbala, drie kleine klokjes die worden aangeslagen door een klepeltje aan een heen- en weergaand balkje.

Het gaan en staan op de orgelgalerij vond ik een enorme belevenis.  Alles, tot en met de gang vlak achter de hoofdkast, is van prachtig hout met intarsia!  Na nederig vragen aan Herr Debeur mochten we even het binnenwerk van het rechter Brüstungspositiv zien,waarin de negen kleinere stemmen van het Pedaal staan.  

De vrijstaande speeltafel van Weingarten. Niet alleen de registerknoppen zijn van ivoor, maar ook de registertrekkers.                        

             
Na de vrije lunch ging de reis 370 km. naar het noorden voor de overnachting weer in Fulda. Bij het lopend buffet van het diner was er heerlijke soep. Daarna liep echter alles volledig in de soep bij de aanvulling van de andere gerechten; een Duitse hotelgast stond bijna tien minuten zeer opgefokt met zijn verse etensbord onder de arm te wachten op de Rindersauce. Nog éven en je had slasaus in de tent …
 
Zaterdag
Heerlijk zo’n hardgekookt ei bij het ontbijt! Het verzachtte het weeïge gevoel van zo’n allerlaatste dag …
Op weg naar het noorden zouden wij na al die verheven ommuurde barokke kloosters met hun overdadige kerken nu gaan ‘afkicken’ bij de middeleeuwse kerken in het Westfaalse Büren en Lemgo. 
Het orgel (1744) van Büren is van dezelfde maker als dat van het instrument op onze heenreis: Johann Patroklus Möller. Dat is ook meteen aan het front te zien, zij het dat in Büren de Pedaaltorens later iets schuin uit de frontlijn zijn gehaald, omdat het orgel tot 1804 in een ruimere kerk elders had gestaan. Bij het binnenkomen van het gebouw rook het nog net zo rioolachtig als twee jaar geleden, toen ik hier met een orgelreis was van de Limburger evenknie van de SGO. Maar ja, vroeger was het in menig kerkgebouw nog erger, vanwege het begraven.
Onze excursieleider, noch zijn C- en Cis-assistent, zijn van te voren alle bezochte orgels langs geweest en zijn dan zelf ook verrast wat hun aan klinkend lood, tin en hout te wachten staat. In Büren, met zijn fraaie orgelkaststructuur en oorspronkelijke front, waren de verwachtingen hoog gespannen. Maar De Vries vond het aangezicht niet goed corresponderen met wat er even later daadwerkelijk achter vandaan kwam. En dat had te maken met latere restauraties die niet Stilgetreu waren uitgevoerd. Deels geef ik hem gelijk, vooral sommige tongwerken vielen door de mand.
We zochten het opnieuw hogerop: Lemgo, een fraaie kleine vroegere  Hansestad die er zonovergoten bijlag. Hier hadden wij een korte vrije lunch. Via een snelle rondgang door de St. Nicolaikirche op weg naar de St. Marienkirche, een hallenkerk, waar een afspraak was met het laatste orgel van de reis: het “Schwalbennestorgel (1595) dat in de noordbeuk tegen de oostmuur is gesitueerd, waarachter – op een ongebruikelijke plaats – de toren. De oorspronkelijke maker van dit bijzonde instrument was de Zwolse Jorrien Slegel. 

Het Slegel/Scherer-orgel 1595/1613 in de St. Marienkirche te Lemgo. Het instrument (HW 8-, OW 7-, Ped. 5 stemmen) werd in 2010 gereconstrueerd door Rowan West. De orgelkast en vier springladen zijn nog bijna authentiek.  Zoals het een paar jaar geleden bij de herbouw van het orgel in de St. Katharinenkirche te Hamburg ging, werd hier eveneens voor de te reconstrueren delen te rade gegaan bij diverse historische instrumenten in Duitsland en Nederland. 

In 1613 werd het orgel uitgebreid met een vrij Pedaal dat een plaats kreeg in de aflopende zijkanten. Na een restauratie en elektrificatie in 1932 – zodat het orgel ook vanaf  het toenmalige hoofdorgel bespeelbaar was – heette het instrument Heldenorgel. Op tien panelen staan de namen van de in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde Lemgoërs. In 2010 werd een omvangrijke reconstructie afgesloten, uitgevoerd door Rowan West, waarbij ook  iets Nederlands was: de inbreng van Koos van de Linde (in Marienmünster trouwens eveneens). Maar ook iets Gronings! De gereconstrueerde Zinke 8 fs  werd gemaakt naar de Cornet 2 vt uit het Hinsz-orgel (met ouder materiaal) van Appingedam. In dat vorige instrument was het namelijk een Zink 8 vt. discant.
De Vries had bij het orgel een hele enthousiaste uitleg, te vergelijken met zijn geestdriftige exposé ’s bij de orgels van Melle, Marienmünster en Ochsenhausen, wat iets zegt over zijn persoonlijke gevoelige orgelsnaren. Booij en Schipper waren hier bij ons laatste orgel ook weer voortreffelijke spelers. (De drie heren waren de hele week bijna constant bij elkaar, als de stemmen van een triosonate.) In deze St. Marienkirche eindigde De Vries met de lofzang van Maria. Voor wie na afloop nog gauw even naar boven ging, was het verrassend te zien dat van onder tot boven  alle – zeer dunne – achterluiken waren verwijderd. Na een run op de te weinige cd’s, alsmede net zo’n run naar een noodzakelijk bijgebouw, lieten wij het verder aan chauffeur Boer over die ons na 257 km weer veilig naar Haren en Groningen terugbracht. Het einde van een zeer geslaagde orgelreis!
               
Voor wie op de locatie geen cd’s heeft gekocht van de bezochte orgels: in 2007 werd een fraaie serie van zeven cd’s voltooid met alle orgelwerken van Johann Ludwig Krebs, gespeeld door het echtpaar Weinberger. De reeks in volgorde: Neresheim (2 cd’s) Weingarten, Weissenau, Ottobeuren, Weissenau, Ochsenhausen. Internetverkoop: www.landgoedgerianna.nl 

Nagenoeg alle foto’s bij dit verslag werden gemaakt door Paul Biester. Die van Marienmünster en van het front van het orgel van Weingarten door Roelof Kooiker, speeltafel orgel Ochsenhausen door Orgelbau Kuhn.