Organjourney 2013 (Dutch)


Verslag van de SGO orgelreis 2013

Het thema van de SGO orgelreis 2013 was: beantwoordde het orgel in de Katharinenkirche in Hamburg aan de idealen van Johann Sebastian Bach en hoe zit dat met het gereconstrueerde orgel? Het bezoek aan het Katharinenorgel was een hoogtepunt, maar ook de andere bezochte orgels waren de moeite waard. De Groninger orgelcultuur komt voort uit en is een logisch vervolg op de ontwikkelingen op het gebied van orgelbouw in Noord-Duitsland. Een bezoek aan dit gebied geeft inzicht in de ontwikkelingen die hebben geleid tot de instrumenten in Noord-Nederland. Door middel van dit verslag en de geluidsfragmenten op de website van de SGO kunt u, ook als u de reis niet heeft meegemaakt, de (klank)schoonheid van de bezochte orgels ervaren. De reis is georganiseerd door Albert en Hilda Rodenboog. Bernhardt Edskes gaf uitleg bij de orgels, Sietze de Vries bespeelde de instrumenten. 

Eerste dag
Als eerste werd het orgel in Buttforde bezocht. De kerk is opgetrokken uit veldkeien, aangevuld met baksteen. Het interieur vertoont overeenkomsten met Groninger kerken, maar is meer gedecoreerd: Een beschilderd doxaal, beschilderde bankdeurtjes met namen van families en avondmaalsbanken in het koor. Het doxaal was als het ware de brug tussen geestelijkheid en leken en eveneens de plaats waar uit de Bijbel werd gelezen. Ook in de kerken van Holwierde en Krewerd zijn ze nog bewaard. Het orgel van Buttforde, gebouwd door Joachim Richborn en gerestaureerd door Hendrik Ahrend, is, op de Trompet 8’ na, origineel bewaard gebleven. Van Richborn is niet zoveel bekend, maar het  orgel is behoorlijk goed gedocumenteerd. De balgen lagen op zolder en werden met touwen getrokken. Bijzonder aan het orgel is dat de Mixtuur en de Sexquialter bewaard zijn gebleven. Na de demonstratie van de afzonderlijke registers besloot Sietze met een improvisatie over Psalm 37  




Vervolgens bezochten we het orgel in de kerk van Reepsholt. De kerk is van oorsprong een kloosterkerk. De toren is sinds de vijftiende eeuw een ruïne. De van oorsprong romanogotische kerk laat in het huidige interieur vele stijlen zien. Oorspronkelijk stond het orgel in deze kerk op het doxaal. Johann Friedrich Wenthin bouwde in 1787 het orgel op de huidige plaats. Hij zorgt voor nieuwigheden in klank en in uiterlijk. Met name de golvende lijnen in het front, die we onder meer ook bij zijn orgel in Nieuwolda zien, zijn opzienbarend. Het orgel is in hoge mate origineel, zelfs de frontprestanten hebben de oorlog overleefd. Sietze de Vries bracht in praktijk wat Hess onder woorden bracht: improviseren naar de klank van de registers. De prestanten zijn strijkend en zangrijk, de fluiten speels en lieflijk, rococo ten voeten uit. De Fluit 4 gecombineerd met een originele tremulant van Wenthin maakte indruk, evenals de originele Trompet 8’, met een mooie ronde klank. Een improvisatie met als thema Slaap kindje slaap, waarin de deftigheid en voornaamheid maar ook het lieflijke karakter van het orgel naar voren kwamen, besloot het bezoek aan het Wenthinorgel van Reepsholt. Geluidsfragment.




Tweede dag
Op de tweede dag van de reis zagen we al van ver de voormalige Hanzestad Lübeck, met de vier kerktorens van de belangrijkste kerken. Johann Sebastian Bach moet dit beeld voor ogen hebben gehad toen hij Lübeck bezocht om Dietrich Buxtehude, die hij erg bewonderde, te ontmoeten. 
In de Jacobikirche bevinden zich drie orgels, een astronomisch uurwerk, een schilderij uit 1574 dat een kerkdienst verbeeldt en kroonluchters, die vroeger voor de verlichting in de kerk zorgden. Onze speciale aandacht ging uit naar het van oorsprong gotische kleine orgel dat door Friedrich Stellwagen is uitgebreid. We hoorden de prestanten met hun draagkrachtige, volle klank, die je als luisteraar geheel omgeeft, dezelfde klank die in de Martinikerk te Groningen te horen is. De Nasard heeft een sonore klank. De Mixtuur heeft nog het klankkarakter van het oorspronkelijke gotische blokwerk, met een mooie synthese van boventonen en grondtonen. Het concept van een dergelijk orgel gaat uit van de nabootsing van de menselijke stem en van de daarvan afgeleide muziekinstrumenten. Orgelbouwers in renaissance en barok verstonden de kunst een en ander in klank te realiseren. Het orgel heeft in alle liggingen een eigen karakter. De klank van het orgel is te omschrijven als liefelijk, vocaal, melancholiek en poëtisch. De tongwerken zijn mild, maar zangrijk, waarbij de Regaal uitmunt in schoonheid. Dit register is vaak gebruikt als continuoregister. Sietze liet al deze elementen samenkomen in zijn geïmproviseerde partita over het koraal Ach wie nichtig, ach wie fluchtig.




Na de presentatie van het Richbornpositief, gereconstrueerd door de Zweedse instrumentenmaker en orgelbouwer Mads Kjersgaard, maakten we kennis met het grote orgel, dat in oorsprong een gotisch instrument is. De orgelkast is rijk versierd. Het instrument is met uitzondering van enkele prestantregisters in de loop van de tijd vernieuwd. Sietze de Vries besloot de presentatie en daarmee het bezoek aan de St.-Jacobi met een improvisatie in de stijl van Reger over het lied Beveel gerust uw wegen (een melodie van Bastiaans), als verwijzing naar de moeizame busrit in de binnenstad van Lübeck. Geluidsfragment.




Een deel van het gezelschap bezocht in de vrij te besteden tijd de St. Marienkirche en de St Aegidienkirche. In laatstgenoemde kerk bevindt zich de rijk gesneden orgelkast van het Schererorgel. 



Derde dag
Na een lange busrit kwamen we aan in Tangermünde. De aanblik van het stadje is even mooi als die van Lübeck. In de St.Stephanskirche bouwde Hans Scherer in 1624 een nieuw orgel, met een even mooi front als het Schererorgel in de de St-Aegidien in Lübeck. Beide instrumenten vertonen het Hamburger Prospekt, een concept waarop vele Noord-Duitse, maar ook Nederlandse orgels uit de zeventiende en achttiende eeuw zijn gebaseerd . Omdat er nog veel oud pijpwerk voorhanden was, kon het orgel voor een groot deel in oude staat worden hersteld. Sietze de Vries bracht tijdens de demonstratie de origineel bewaard gebleven pestantenkoren van alle werken in afwisseling ten gehore. Hun warme en dragende gotische en vroegbarokke klank vulde de hele ruimte. Opvallend was hier weer de vocale klank (oe-klanken in plaats van è-klanken). Daarna volgde de opbouw van het plenum met de Mixtuur. De balans in het stemmenweefsel is perfect. Geen register overheerst of komt onvoldoende tot zijn recht. De Quintadeen klinkt overtuigend, later gecombineerd met de gedekte registers. Weldadig voor het oor zijn in de middentoonstemming de reine tertsen. Achtereenvolgens waren nog te horen de fluiten (met als bijzonderheid de Basfluit 4’ in het pedaal), de Nasard, de Woudfluit 2’ en de Siflet van het rugwerk, gevolgd door de tongwerken: Trompet en Bazuin. Bijzonder was de Zinck 8’, met later in de begeleiding de Tremulant. Sietze de Vries sloot de demonstratie af met een improvisatie over Psalm 116.




Diep onder de indruk van de schoonheid van het orgel vertrokken de deelnemers aan de reis naar Gartow. 

Het tweeklaviers orgel van Gartow werd gebouwd door Johann Matthias Hagelstein, orgelbouwer in Lüneburg. Hij was een leerling van Matthias Dropa, die weer een leerling was van Arp Schnitger. Het orgel in Gartow is het enige bewaard gebleven instrument van Hagelstein. Na allerlei ingrepen aan het orgel restaureerde de orgelmaker Hillebrand het instrument, waarbij de oorspronkelijke toestand werd hersteld. Sietze de Vries speelde op dit orgel werken van Krebs en Bach.





De kerk van Trebel werd in het midden van de twaalfde eeuw gebouwd als een romaanse vestingkerk. De kerktoren in houten skeletbouw stamt uit 1626. In 1750 werd de toren wegens bouwvalligheid afgebroken en herbouwd aan de westzijde. De orgelbouwer Johann Georg Stein, die in 1712 in Berlstedt werd geboren bouwde het orgel in de kerk. Het heeft negentien registers, verdeeld over twee klavieren en pedaal. Stein onderscheidde zich duidelijk van de Noord-Duitse orgelbouw, zoals blijkt uit de opbouw van het bovenwerk, het onderin de kast geplaatste positief en de aan weerskanten geplaatste pedaaltorens. Afwijkend van de traditie van de Schnitgerschool is ook de combinatie van ronde, driehoekige en trapeziumvormige torens. In 1969/1970 verrichtte Rudolf von Beckerath uit Hamburg noodzakelijke reparaties. Een omvangrijke restauratie vond plaats in 2000/2001 door Jürgen Ahrend uit Leer, waarbij het orgel werd geschilderd in de originele kleur. Sietze de Vries improviseerde in een bij dit instrument passende stijl. Geluidsfragment.



Na deze improvisatie konden we het orgel bekijken en er zelfs doorheen lopen.



Vierde dag
Op de vierde dag stonden de St. Jacobikirche en St. Katharinenkirche in Hamburg op het programma. Aangaande het orgel van de St. Katharinen kwam de vraag naar voren: beantwoordde het orgel in de Katharinenkirche aan de idealen van Johann Sebastian Bach en hoe zit dat met het gereconstrueerde orgel? We werden hartelijk verwelkomd door de organist Andreas Fischer. Hij benadrukte de innige samenwerking met de firma Flentrop en memoreerde de grote belangstelling vanuit Nederland. Bernhardt Edskes benadrukte in zijn uitleg over het orgel het feit dat Johann Sebastian Bach bij zijn sollicitatie in Hamburg erg onder de indruk is geweest van het orgel. En dat zegt veel, want Bach was een orgelkenner bij uitstek. Het orgel in de Katharinenkirche was een Schererorgel met latere toevoegingen, zoals we dat ook in Tangermünde hebben leren kennen. Het orgel was dus een synthese van renaissance- en barokelementen. Voor de oorlog verkeerde het orgel in authentieke, maar zeer slechte staat. Het historisch belang was groot. Gustav Fock adviseerde om de pijpen en de windladen uit het orgel te halen, om te voorkomen dat ze door oorlogsgeweld verloren zouden gaan. Circa duizend pijpen zijn de oorlog goed doorgekomen, waarvan de helft later alsnog verloren ging. Met als uitgangspunt de resterende vijfhonderd pijpen is een omvangrijke reconstructie uitgevoerd door Flentrop Orgelbouw te Utrecht. In 2013 was deze restauratie gereed. Naast de genoemde bewaard gebleven pijpen, zijn delen van het orgel gebaseerd op voorbeelden uit andere orgels. In die zin kunnen we spreken van een synthese-orgel met als uitgangspunt de situatie van 1720. Sietze de Vries demonstreerde het orgel, waarna hij de vier verzen van het koraalvoorspel 
Was kann uns kommen an für Noth van Jacob Praetorius speelde. 


Daarna volgde een improvisatie  over hetzelfde lied.


 Tenslotte improviseerde hij over het koraal An Wasserflüssen Babylon, waarop destijds Johann Adam Reincken zijn beroemd geworden koraalfantasie heeft gebaseerd. Het orgel van de Katharinenkirche zou Bach zeker zijn bevallen. Daarmee is het eigenlijk wel een Bachorgel.



De geschiedenis van het orgel van de St. Jacobikirche is veel beter gedocumenteerd. In 1512-1516 werd door Jacob Iversand en Harmen Stüven (Hamburg) een nieuw orgel gebouwd, met twee klavieren en pedaal. In 1535 werd het orgel uitgebreid door Jacob Iversand met o.a. een rugwerk. Er werden acht nieuwe registers op het orgel geplaatst. In 1569 en 1577 plaatste Dirk Hoyer een rugwerk en pedaaltorens. Ook Hans Bockelmann en Hans Scherer werkten aan het orgel. In 1635 voegde Gottfried Fritzsche een vierde klavier toe. In 1689-1693 bouwde Arp Schnitger met gebruikmaking van oud pijpwerk (vijfentwintig registers) een nieuw orgel. De tongwerken en overige registers leverde Schnitger zelf. Het orgel had toen zestig registers, verdeeld over vier klavieren en pedaal. In 1890 breidde Marcussen (Abenraa, Denemarken) het orgel uit met enige registers op een pneumatische windlade. Karl Kemper en Hans-Henny Jahnn (Hamburg) zagen de grote waarde van het instrument in en zetten zich in voor de instandhouding van het instrument. In 1943 werden de pijpen, de windladen en het snijwerk opgeslagen in een bunker onder de kerktoren. De orgelkast en speeltafel ging in vlammen op. Na de oorlog werd het orgel door Emanuel Kemper & Sohn (Lübeck) provisorisch opgesteld in het zuidelijke gedeelte van het schip, dat door het bombardement niet beschadigd was. Toen de kerk herbouwd was, werd het orgel ook weer opgebouwd. Men was erg ontevreden over het resultaat en de verrichte werkzaamheden. In 1986 kreeg Jürgen Ahrend de opdracht het orgel te reconstrueren naar de toestand van 1693. Cor Edskes trad daarbij op als adviseur. De organist van de St Jacobi, Kelber, vergeleek de twee orgels als volgt: het orgel van de St.-Jacobi is streng, voornaam, statig en doet denken aan de sfeer van de orthodoxie. Het orgel van de St.-Katharinen heeft een lieflijk, bescheiden karakter en past in de sfeer van de Verlichting. Dat tussen beide kerken rivaliteit bestond blijkt uit het feit dat Reincken ageerde tegen de plaatsing van een 32-voetsregister in het orgel van de St.-Jacobikirche, maar deze niet kon tegenhouden. Sietze de Vries improviseerde op het koraal
Wachet auf ruft uns die Stimme. 






Vijfde dag
Opnieuw namen we kennis van de orgels van Mittelnkirchen en Steinkirchen. Beide orgels zijn gerestaureerd, respectievelijk in 2011 en 2012. U kunt het resultaat daarvan beluisteren in de geluidsfragmenten (Mittelnkirchen) 




 en 12 (Steinkirchen)





In Steinkirchen werd deze orgelexcursie op traditionele wijze besloten met samenzang. In Mittelnkirchen bedankte SGO-secretaris Kees Kugel Bernhardt Edskes voor zijn deskundige inbreng en heldere uitleg, Albert en Hilda Rodenboog voor de uitstekende organisatie van de reis, Sietze de Vries voor zijn prachtige spel en de chauffeur van de bus voor zijn bijdrage aan het vervoer van de groep.